In de Schelde Delta bepaalt de bodem meer dan je zou denken wat er op je bord belandt. Zand, klei, kreekruggen: elke ondergrond heeft zijn eigen karakter, en wie hier al generaties lang fruit teelt, weet dat als geen ander. Als ambassadeur van Geopark Schelde Delta willen wij die verbinding tussen geologie en gastronomie graag zichtbaar maken. Daarom gaat tekstschrijver en fotograaf Inge Verschuren in een reeks interviews in gesprek met ondernemers uit het Geopark over hun band met de grond waarop ze werken.

In dit gesprek spreekt ze met Marcel Eversdijk van Firma N. Eversdijk & Zonen in Kapelle, een fruitteeltbedrijf dat al sinds 1920 in familiehanden is. Marcel vertelt hoe hij met zandgrond, kleigrond en het grillige Zeeuwse weer omgaat, en waarom hij zoveel mogelijk natuurlijk te werk gaat, van bijenkasten tot bevloeiing met water uit de Biesbosch. Een verhaal over vakmanschap, bodem en drie generaties fruittelers die precies weten wat hun grond nodig heeft.

In gesprek met Marcel Eversdijk

Zodra je het erf van fruitteeltbedrijf Firma N. Eversdijk & Zonen in Kapelle oprijdt, weet je dat dit een niet onbelangrijke speler op de markt is. Staande tussen de koelloodsen en de sorteeraccommodatie met de oude boerderij op de achtergrond, komt rap het besef. Hier liggen niet alleen Elstarappels en Conferenceperen, maar een heel verleden van generaties fruittelers, die slim gebouwd hebben aan hun familiebedrijf.

Marcel Eversdijk is samen met zijn achterneef Jan-Willem en neef Marco het huidige gezicht van de firma. Voor hen spreidt zich een tijdlijn uit met 1920 als beginpunt. Meer dan honderd jaar geleden begon zijn overgrootvader de boerderij aan de Postweg met fruit, vee en akkerbouw. Een vijftigtal jaar later werden de akkers ingericht als boomgaard en verdween het vee. In 1940 werd de in de oorlog in brand geschoten boerderij opnieuw opgebouwd en vanaf 1952 verschenen de fruitloodsen voor sortering en koeling. Met 63 hectare eigen grond en nog enkele hectare pachtgrond hoort de vennootschap tegenwoordig niet meer tot de allergrootste fruittelerbedrijven zoals vroeger het geval was, maar is het nog steeds een bedrijf van aanzienlijk formaat. Hoe werken deze fruittelers met de diverse omstandigheden in de Schelde Delta waar zij mee te maken hebben? Marcel geeft antwoord.

Inspelen op zand, klei en weersinvloeden

“Ons fruit staat op zeer verschillende plekken. Hier, een paar honderd meter verderop, groeien onze appels op kreekruggen, hoger gelegen zandgrond. Het water zakt er snel weg, dus we hebben hier sneller met droogte te maken. Daarom hebben we een bevloeiingssysteem aangelegd. Het water dat we hiervoor gebruiken komt uit de Biesbosch. Het is landbouwwater, gezuiverd oppervlaktewater met goede gehaltes waaraan geen chloor en kalk zijn toegevoegd, zoals ons drinkwater. Om de zandgrond geschikt te maken voor de fruitteelt, maken we deze rijker met compost uit de streek, waar zout en mineralen in te vinden zijn. Het is compost die enkel van plantaardig afval wordt geproduceerd. Het krijgt de tijd, het ligt er twee jaar. Daardoor is het beter omgezet, fijner van structuur en beter opneembaar. In basis bevat de grond ook zout en mineralen, maar doordat deze bewerkt wordt gaan deze verloren. Met het compost worden die tekorten weer aangevuld en wordt de grond luchtig. We gebruiken ook compost van het afval van een champignonteler. De ph-waarde hierin is hoger. Compost is weer zuurder. Ieder jaar doen we grondonderzoek om te kijken waar wat aangevuld moet worden. Je ziet de situatie geleidelijk aan veranderen.”

Elke boomgaard vraagt op een andere aanpak. “Onze grond in de buurt van Goes is totaal anders. Dat is hele zware grond. De klei houdt wel water vast. Er staan peren op, die doen het daar goed op. We hoeven ze nooit water te geven. Chemische meststoffen gebruiken we het liefst zo min mogelijk. Jonge bomen planten we op andere grond dan waar de oudere bomen op staan. We zaaien op voorhand een bladmengsel of kruidenmengeling in, een combinatie van diepwortelende, stikstofproducerende planten. Die ploegen we om, zodat de grond geschikt is voor groeiende fruitbomen.” De boomgaard in de polder van Wemeldinge heeft het voordeel van de druk opzij van grondwater door het Kanaal door Zuid-Beveland. “Gevaar hier is dan weer dat er zout water van het kanaal door de sloot naar boven komen komt. Vroeger werd de waterstand handmatig geregeld, maar tegenwoordig gaan de pompen automatisch draaien. Dat baart wel eens zorgen.” Niet alleen is er verschil in bodem, maar ook in weersinvloeden. “Dat onze boomgaarden op verschillende locaties liggen is van belang voor onze oogstzekerheid. Komt er hagel, of storm; we doen altijd mee, maar nooit overal. Je moet verder rijden, maar dat zijn wel voordelen.” 

Meebewegen met de Zeeuwse natuur

De voorkeur voor circulaire en natuurlijke systemen is middenin de boomgaard ook goed te zien. Een stuk of vijfentwintig bijenkasten verraden een handig gebruik maken van biodiversiteit. „De imker is blij dat hij zijn kasten hier kwijt kan en wij zijn blij dat de bloemen bestoven worden. Je ziet dat de middenbermen tussen de rijen bomen niet gemaaid is. Dat doen we bewust. Het blijft hierdoor koeler in de boomgaard en het trekt veel insecten aan, die plagen bestrijden. Er staan ook insectenkasten voor. Met zeven streekeigen boomsoorten creëren we biodiversiteit in de windsingels rond de boomgaarden. We hebben nestkasten voor roofvogels geplaatst. Roofvogels vangen muizen, die boomwortels wegknagen. Onkruid bestrijden we met een speciale schoffelmachine. Die haalt het onkruid rond de bomen weg. Waar de machine niet bij kan, steken we het zelf weg. Nieuwe watervoorzieningen leggen we hoger boven de grond. Dan kan de machine op meer plekken schoffelen. Waar ik biologisch kan, ga ik biologisch. Voor schimmels en schadelijke bacteriën is knoflook een goed preparaat. Kruidnagel is ook een fantastisch anti-schimmelmiddel.” Marcel barst altijd van ideeën. “Als je een afvalproduct van de kruidnagel zou kunnen strooien. Of koffiedrab, dat is ook heel goed.” 

Het CO2-vraagstuk is voor Marcel geen vraag. “We halen appels uit Argentinië, Afrika, Nieuw-Zeeland. Is dit wat de consument wil hebben? Er wordt zoveel met voedingsmiddelen geknoeid. Ik kan precies aantonen waar de appel vandaan komt, hoe die behandeld en bewaard is, van elk perceel apart. Mijn vrouw heeft een winkeltje met fruit dat hier vandaan komt, of van de buurman die biologisch teelt. Consumenten die willen dat alles natuurlijk gebeurt, zouden met mindere kwaliteit genoegen moeten nemen. Die is ook prima. Onze appelsap is alleen appelsap, niks erbij. Geperst in Limburg, zoals ik het wil. De honing komt uit eigen boomgaard. De appelflappen en taarten worden zelf gemaakt van eigen fruit en fruit uit de buurt. Meer natuurlijk en kortbij kun je niet hebben. Wat ik in mijn bereik kan doen, probeer ik te doen. We hebben zonnepanelen gelegd om eigen uitstoot te minderen. Ligt er plastic of troep in de boomgaard, neem ik het mee. Ik noem mezelf niet innovatief, maar bedenk wel praktische invullingen.” Voor Marcel was het logisch zijn voorvaders op te volgen in de fruitteelt. “Voor mij is dit een doorgeefluik, een traditie die ik voort kan zetten. Ik vind het prachtig om in de natuur te werken. Het geeft me rust. Waar ik van geniet, is als ik in de boomgaard die haas of dat reetje zie lopen. Als een klant of handelaar of wie maar ook een compliment geeft van ‘dat ziet er goed uit, dat is een mooie kwaliteit’. En om het samen te doen met onze medewerkers, om een zo goed mogelijk product neer te kunnen leggen.”

Foto: Inge Verschuren